dinsdag 22 februari 2011

Het kwintet van Anders Roslund

Wij zijn met z’n tweeën. En het eens worden over zoiets fundamenteels als je eigen literatuurgeschiedenis is onmogelijk. Deze vijf titels komen daarom van een van ons, Anders Roslund:

Wij schrijven over misdaden. Of liever gezegd, over de gevolgen van misdaden. En om zo ver te komen, om de merkwaardige behoefte van alle mensen naar liefde te begrijpen – liefde die kan omslaan in haat en daardoor leidt tot geweld dat juist tegen die liefde indruist – heb ik moeten lezen. Door te lezen heb ik mensen ontmoet die andere mensen kunnen beschrijven op een manier die mij naar binnen voert, naar de ziel. Ik heb vijf mannen gekozen. Aangezien het dubieuze beroep van misdadiger duidelijk gedomineerd wordt door mannen en om te begrijpen waarom dat zo is, moest ik eerst de zienswijze, de tekortkomingen en het gedrag van de man bestuderen.

Péter Esterházy – Een vrouw

Een van de belangrijkste schrijvers van Hongarije en een verhaal over 97 vrouwen en korte ontmoetingen die stuk voor stuk worden ingeleid met ‘Er is een vrouw. Ze houdt van mij.’ of ‘Er is een vrouw. Ze haat mij.’

Ingmar Bergman – Lanterna Magica

Zijn autobiografie. Een genre dat zo veelomvattend is en zo snel tot mislukkingen kan leiden wanneer de tijd gebeurtenissen en je eigen gedrag verkleurt. Maar Bergman lukt het wél. Hij maakt niets mooier dan het is. Als hij het leven van een groot kunstenaar beschrijft, beschrijft  hij ook vaak het leven van een kleine man. Het goede. En het slechte. En daarom geloof ik hem.

Franz Kafka – Het proces

Het lijkt misschien aanmatigend om dit van tijd tot tijd pretentieuze werk te noemen. Maar ik moet wel. Ik heb het een tijdlang zo vaak gelezen, en dat heeft echt iets met me gedaan, door dit boek begreep ik wat het met de menselijke geest kan doen om uitgesloten te worden.

Nick Hornby – High Fidelity

Onbezorgd, luchtig en tegelijkertijd zwaar geschreven, populaire cultuur op z’n best. Hij laat me glimlachen terwijl ik over mannen lees die zo verdomd veel moeite hebben om de weg naar huis te vinden.

Lars Görling – 491

Dit boek is waarschijnlijk niet vertaald [is het wel, in 1961, door Jan de Zanger]. Helaas. Maar het is zo belangrijk voor me geweest dat ik het toch noem. Een Zweedse schrijver die kort nadat hij een paar geniale werken had geschreven in de jaren ’60 overleed. Dit boek, 491, gaat over jonge criminelen en het merkwaardige is dat er niets is veranderd in de manier waarop we kijken naar mensen die buiten de boot vallen. Er zijn bijna vijftig jaar verstreken, maar de gedachtegang bestaat nog steeds, en dit boek, dat ik zo vaak heb herlezen, bracht me dichter bij de ontheemding die vaak de reden is om voor een leven in de criminaliteit te kiezen.



Het Kwintet dankt Uitgeverij De Geus voor de vertaling van dit artikel.

Het kwintet van Simon Beckett

Like anything else, tastes in books change over the years. I've read any number that I've enjoyed, and in some instances that I've gone back to read again. Some make my list of personal favourites for a time, only to lose their appeal on a later reading. But there are always a key few titles that stay with you. Here, in no particular order, are five that made a lasting impression.
 
Fiesta/The Sun Also Rises, Ernest Hemingway.
 
I recently re-read this and was pleased to find it just as compelling as when I first came across it. That was when I was taking a degree in English and American Literature, and Hemingway's clean prose seemed like a breath of fresh air after the - for me - more stuffy, 'literary' texts. Some of the attitudes espoused by characters in the book might be frowned upon now, but the story of ex-patriate Americans being disollute and moody in 1920s Paris and Pamplona is as moving as ever.
 
The Long Goodbye, Raymond Chandler
 
This should have been Chandler's last novel. It isn't - he followed this with the far weaker (in my opinion) 'Playback. But The Long Goodbye is certainly the culmination of his development of Philip Marlowe, who in this moves from the brash young private eye of the early novels to an older, more world-weary and lonely individual. The usual array of tough guys, crooks and deadly blondes are still present, but this rings with a poignancy and sadness that sets the bar for the entire genre.
 
A Taste for Death, Peter O'Donnell
 
I was introduced to the Modesty Blaise series of novels by my father when I was in my teens, and I've since lost count of the number of times I've re-read them. Often dismissed as a comic strip characters, Modesty Blaise and Willie Garvin deserve to be recognised as one of the best partnerships in crime fiction. Modesty was the forerunner of all the sexy-but-tough-as-nails heroines who followed, from Emma Peel in The Avengers to The Bride in Kill Bill. The entire series is terrific, edge of your seat entertainment, but with its never-bettered final showdown A Taste for Death remains my favourite. 
 
The Lord of the Rings, J R  R Tolkien
 
In the post-Peter Jackson age the godfather of fantasy novels has become something of a cliche. But when I first read this trilogy I'd not even heard of hobbits. Fantasy isn't for everyone, and neither is LOTR, but this remains a superb piece of storytelling - frightening, tense and totally enthralling. There's one scene in particular (I won't spoil the surprise although I'm sure most people are familiar with it by now) where one of the main characters is apparently killed. It's completely unexpected and utterly shocking, and was my first introduction to how effectively writers can manipulate expectations and emotions. Although I don't write fantasy, that was a valuable lesson.
 
The Day of the Triffids, John Wyndham
 
Again, another novel that I read when I was young that has stayed with me. The apocalyptic story of a world where an accidentally blinded population is preyed upon by genetically engineered plants is wonderfully atmospheric. Wyndham's controlled narrative style makes what might seem like a lurid B-movie plot seem chillingly plausible, and the opening scene where the central character, Bill Mason, wakes in an eerily silent hospital is a masterclass in sustained tension.

Het kwintet van Roger Vanhoeck

Wat een opgave, zeg! Dan ben je drieënzestig jaar geworden, heb je heel je leven gelezen en dan vragen ze je om vijf titels te vermelden die een onuitwisbare indruk op jou gemaakt hebben.
En toch ga je de uitdaging aan. Dan wordt het pas echt gekkenwerk.

Nou ja, kijk, hier is mijn lijstje:

Als knaapje van tien (zo tot mijn twaalfde) heb ik alle verhalen gelezen van Arendsoog en Witte Veder, cowboy en indiaan. Ik had het zo erg te pakken dat mijn moeder er niets anders op vond dan het peertje boven mijn bed er simpelweg uit te draaien. Het duurde even voor ik een oplossing had. Gelukkig leende een vriendje mij een zaklamp. Zo kon ik ongestoord, onder de dekens, verder lezen tot het bijna ochtend was. En daarna, slaperig en met rode ogen naar school.

Ik Jan Cremer  leerde mij enkele jaren later kennismaken met een heel andere wereld. Weer moest het in het geheim gebeuren.
Op een dag kwam mijn vader, die anders nooit las, thuis van zijn werk met een boek. Het zat gewikkeld in bruin inpakpapier. Hij zei er niets over, liet het boek ergens in huis verdwijnen. Geheimzinnig!
Dat was natuurlijk zonder mijn detectiveaanleg gerekend. Ik vond het diep in de kast, onder een stapel wasgoed. Amaai, heb ik daarin met rode oortjes zitten lezen en herlezen!

De dood van een non van Maria Rosseels was van een heel andere orde. De manier waarop die dame de innerlijke strijd en twijfel van een kloosterlinge beschreef, heeft een heel diepe indruk op mijn gemaakt. Ik was dan al een eind in de twintig en heb daarna bijna alle boeken van Rosseels gelezen. Misschien gaf die lectuur ook voeding aan mijn eigen twijfels over God en gebod.

Omdat ik vrees dat van alle boeken die ik hierboven vermeldde enkel met veel goede wil nog een exemplaar op de kop valt te tikken, voel ik me nu ook moreel verplicht om enkele recente boeken aan te halen.
Wat een moeilijke keuze! Het aanbod is zo overweldigend. Niemand krijgt ooit gelezen wat hij zou willen lezen. Door mijn keuze doe ik anderen tekort, maar ja…
Niet het mooiste boek, niet het liefste, niet het meest romantische maar wel een boek dat je naar de keel grijpt:Dorst van Michaël Kumpfmüller.
Op een snikhete dag laat een vrouw haar beide kinderen achter in haar appartement. Ze is niet zinnens om lang weg te blijven, maar ze raakt het spoor bijster en zichzelf kwijt. Van bij aanvang weet je dat het slecht gaat aflopen en toch zuigt het verhaal je mee. Je krijgt er zelf dorst van.

Tenslotte, na lang aarzelen tussen ‘Een schitterend gebrek’ van Arthur Japin en Grijze Zielen van Philippe Claudel, kies ik toch voor deze laatste. Wat een virtuositeit, zowel in taal als in plot! Het is een boek om telkens opnieuw te lezen en te huiveren van het contrast tussen de hardheid van het verhaal en de sprankel van de taal. Lezen, mensen! En genieten!

Wat een ongelooflijk armtierig rijtje heb ik hier neergepoot. Het zij zo.

Het kwintet van Hans Vervoort

Lijstjes van Beste Boeken worden al heel lang gemaakt en in 1976 vroeg Vrij Nederland aan zijn recensenten om voor het Kerstnummer aan te geven wat zij de beste boeken van dat jaar vonden. Ik had me het jaar daarvoor geërgerd aan de dikdoenerij van andere recensenten die, om te laten zien hoe erudiet zij waren, de meest schimmige buitenlandse schrijvers als hun favoriet noemden. Bij voorkeur een uit het Swahili vertaalde doofstomme dichter-schilder. Ik besloot een stap verder te gaan en twee schrijvers en hun boek te verzinnen. Mijn eerste favoriete boek van 1976 heette 'Ik niet', geschreven door Rolf ter Haar, een roman waarin de hoofdpersoon niet beschreven werd, maar als het ware 'uitgespaard' was in het verhaal. De leegte bepaalde de contouren van het personage, legde ik cryptisch uit. In mijn tweede favoriete boek van 1976, geschreven door Joyce Kirschstein (uitgeverij Sijthof), slaagde de schrijfster er in om drie personages met precies dezelfde naam zo onderscheidend op te voeren, dat je als lezer nooit twijfelde wie wie was. Bravo! Ik zond het stukje naar Vrij Nederland.
In het begin van het nieuwe jaar kreeg ik een telefoontje.
'Ik zie hier in Vrij Nederland bij de beste boeken van 1976 een boek van onze uitgeverij staan,' zei een aangename herenstem, 'Verboden Oogst van Joyce Kirschstein, maar ik kan die titel helemaal niet in onze fondslijst vinden!'
'Ach, dat was bedoeld als een grapje,' zei ik betrapt, 'daarom heb ik de naam van de uitgeverij expres ook verkeerd gespeld. Sijthoff met één f! Ziet u het? Heeft u het stukje voor u liggen?'
'Een grapje?' vroeg de herenstem, 'is die hele pagina een grap?'
'Nee,' zei ik. Ik kreeg het benauwd. 'Alleen mijn stukje. U begrijpt wel, ik vind dat altijd zo'n dikdoenerij, de beste boeken van het jaar, dat ik dacht: weet je wat, ik verzin er gewoon twee. Haha'
Zelden klonk mijn lach zo weinig overtuigend.
'Nou, ik hoop maar dat we er niet al teveel aanvragen voor krijgen,' zei de herenstem verongelijkt, 'want dat kost ons dan een hoop werk om uit te leggen dat u een grappenmaker bent.'
'Het spijt me,' zei ik ontnuchterd.
Nooit meer daarna kreeg ik van Vrij Nederland een uitnodiging om aan te geven wat ik de Beste Boeken van het Jaar vond. Dat gaf rust. Tot ik nu, zoveel jaar later, een Kwintet mag kiezen.
Aan 'Beste Boek'-competities doe ik nog steeds niet mee. Ik ben zelf schrijver en vind het geen prettig idee boeken op die manier met elkaar te laten strijden.
Maar ik heb 20 jaar gerecenseerd voor Vrij Nederland en NRC Handelsblad en natuurlijk zijn er boeken waar ik iets speciaals mee heb.
 
1. Bernlef – Hondedromen (1974)

Bernlef kreeg in 1984 grote bekendheid met de roman Hersenschimmen. Maar al tien jaar eerder publiceerde hij een prachtige verhalenbundel met hetzelfde thema: jezelf verliezen in het aftakelingsproces dat ouderdom heet. Hoe zal het gebeuren, wanneer zal het gebeuren, op welk moment houdt men op 'ik' te zijn en wordt men gereduceerd tot een marionet van het geheugen? Een citaat:

'Ze lag in bed en wachtte op hem. Toen hoorde ze in de gang een hangertje op de grond vallen. "Manuel," riep ze. "Manuel, wat doe je?" Ze kwam uit bed.

Hij was al halverwege de trap. Hij had zijn jas over zijn pyjama aangetrokken en probeerde onder het lopen de knopen dicht te maken. Ze stond boven aan het verlichte trapgat in haar witte flanellen nachthemd. "Wat ga je doen?" zei ze. En weer keek hij haar zo aan, zijn hoofd op de kale dunne nek schuin naar boven gedraaid. Alsof ze naar de bekende weg vroeg. "Naar de werkplaats." "Maar het is zaterdag." Dat zei ze terwijl hij verder de trap afliep.


2. Eelke de Jong – Dorpsschetsen (1973)

De Jong begon zijn loopbaan bij de Telegraaf als journalist in het opkloppende genre. Zijn grootste succes was het – samen met fotograaf John de Rooy - bespieden van prinses Beatrix en Claus in hun eerste verliefdheid. Later schreef hij in de Haagse Post (o.a. de Koos Tak-feuilletons, geïnspireerd op zijn jaren bij de Telegraaf), werd vervolgens schaapherder in Giethoorn, en eindigde als voorlichter van een gekkenhuis. Hij stierf in 1987, 52 jaar oud, aan longkanker. De Jong publiceerde 26 boeken, waarvan de mooiste gaan over het dorpsleven in Giethoorn en zijn bestaan als schaapsherder.Niemand kon zo zuinig schrijven als Eelke de Jong. Een voorbeeld: 'Hij had grote handen en pakte alles voorzichtig aan'. Die man staat meteen voor je.

3. Tim Krabbé – Het gouden ei (1984)

Krabbé had in 1984 al acht boektitels op zijn naam, waaronder het prachtige De Renner. Maar zijn schrijftalent werd nog niet erkend. Toen in dat jaar Het Gouden Ei, verscheen, het verhaal van een jonge man wiens verloofde bij een pompstation in Frankrijk op raadselachtige wijze verdwijnt, was ik één van de weinigen die het besprak:

Tim Krabbé heeft er een fascinerend verhaal van gemaakt, uitstekend geschreven, met goed getimede informatie en virtuoze tempowisselingen. Het risico dat het een te onwerkelijk verhaal zou worden heeft hij instinctief vermeden door het invlechten van alledaagse taferelen die de vertellingen steeds ferm in de werkelijkheid terugzetten. Als pompstationhouders in Frankrijk dit jaar klagen over teruglopende omzet, ligt de verklaring voor de hand.

Mijn recensie van dit boek staat sinds enige tijd op mijn website en wordt per dag opgehaald door drie á vier scholieren die op zoek zijn naar een dun boekje en iemand die uitlegt waar het over gaat. En Krabbé – destijds door literaire bobo's afgewezen voor een werkbeurs – is gelukkig inmiddels toegelaten tot De Lijst. Het Gouden Ei is in zijn 32ste druk.

4. Hester Albach – Het debuut (1975)

Hypes zijn van alle tijden. In 1975 debuteerde de fraai ogende Hester Albach met een ondeugend boek over haar relatie als jonge scholiere met een leraar. Het boek werd door critici neergesabeld, maar ik was gefascineerd. Het verhaal is uiterst koel geschreven: de hoofdpersoon begrijpt niets van wat die mannen eigenlijk bezielt en kent zichzelf evenmin. Ze handelt puur uit nieuwsgierigheid. Het bewonderenswaardige van dit boekje is dat de schrijfster geen enkele poging doet om er meer dan dit in te leggen: er wordt niet diep en wanhopig nagedacht, er zijn geen pathetische jonge-meisjes-fragmenten. "Een prima debuut" was mijn conclusie.

5. Monika Sauwer – Mooie boel (1977)

Sauwer heeft zo'n vijftien mooie verhalenbundels en romans op haar naam, maar dit was haar debuutbundel en ik was meteen verkocht. Het zijn de avonturen in bos, veld en grote stad van een jonge vrouw die alles doet wat modern is en door god verboden: links en rechts neuken, teveel drinken, zichzelf met valia op de been houden. Dat kan heel vervelende teksten opleveren, maar niet bij Monika Sauwer. Ze voelt zich duidelijk op haar gemak in een schrijfstijl waarbij woede en zelfbeklag en al het taaie ongerief van het dagelijkse leven ferm op papier worden gezet. Maar er is geen langdradigheid en het zelfbeklag wordt prima afgebakend door ironie en agressie, via laconieke of snijdende tussenzinnetjes.

'Ik knipte het beddenlampje aan en inderdaad, daar stond hij, de braakemmer. Angstig keek ik over de rand. Leeg. Hij stond daar blijkbaar ter preventie. Mijn gedrag de vorige avond moest Jaap voldoende aanleiding gegeven hebben voor deze motie van wantrouwen. Want het was lang geleden dat hij daar gestaan had. Brako de braakemmer.'


De meeste van mijn kwintet zijn niet meer in de boekhandel te krijgen. Maar in de bibliotheek vaak nog wel. En op www.boekwinkeltjes.nl of www.antiqbook.nl zijn ze voor een habbekrats te koop. Enjoy!

Het kwintet van David Hewson

I, Claudius and Claudius the God by Robert Graves.

A classic tragedy - republican turns dictator - written in the form of a false document, the rediscovered diary of the cripple-turned-emperor Claudius. A touch over-written in places, for modern tastes anyway, but breathtaking in its ambition and humanity, and two books I reread constantly.

The Wine-Dark Sea by Robert Aickman.

One of the great lost writers, Aickman wrote 'strange tales', short stories with a touch of Jorge Luis Borges mingled with a very upper class English consciousness. Aickman gloried in the freedom to leave stories unresolved. You really don't know what's happening sometimes, and that makes it all the more tantalising.

The Godfather by Mario Puzo.

It's not the Italian connection that makes me admire Puzo's work so much. It's the courage he showed in depicting the nuclear family - supposedly the rock of society - as something much darker and fundamentally evil. He always described this book as a deliberate commercial shot designed to make him money, and thought the less of it for that. Writers know nothing sometimes. 

One Shot by Lee Child.

Child's Jack Reacher is one of the most intriguing figures in modern popular fiction, a near-biblical figure, some fallen angel wreaking vengeance on those the law can't touch. Child has barely described Reacher physically, the man has scarcely a single endearing trait, he never changes, never shows anyone much in the way of normal sympathy. Yet there's something desperately gripping about him. Fascinating.

The Hound of the Baskervilles by Arthur Conan Doyle.

I regard my principal subject as justice more than crime. But when I think of crime I think of that monstrous dog on the moors. For me this, more than Christie, Hammett and Chandler, is what crime should be about. Damned decent covers in a glorious English setting behaving with an evil murderous intent, as only the English can.  

Christ Stopped at Eboli by Carlo Levi. 

The Italian doctor, writer and painter Levi wrote this autobiographical memoir on the run from the Nazis in wartime Florence. It tells of his time in political exile in the south of Italy during the Mussolini era. Funny, sad and wise, it revealed a side of the Mezzogiorno, the unknown, almost pagan south, that still rings true today. 

Het kwintet van Santa Montefiore

Each of these novels has inspired me in my own writing.  They are all great examples of how character is the most important thing in a novel.  Their characters are totally believeable - and live on long after you have turned the last page.

Love in The Time of Cholera by Gabriel Garcia Marquez made a big impression of me when I was writing my first novel, Meet Me Under The Ombu Tree.  A sensual writer, Marquez taught me how to create a sense of place through sound and smell.  In his novel I could literally smell the orange blossom and lavender and feel the humidity on my skin.  I really believed I was there.
 
Fried Green Tomatoes at The Whislestop Cafe by Fannie Flagg.  I just love the eccentric characters, especially Mrs Threadgood.  Flagg is a querky writer with a delightful sense of humour.  I re read this when I was writing my second novel and wanted to include a chorus of eccentric old ladies.  I loved the eccentric tone of the book.
 
The Count of Montecristo by Alexandre Dumas, what a delightful romantic classic.  A tale of love and revenge that I simply couldn't put down.  I would love to spend years writing an epic like this, but would never have the patience - or the plot!  It is never dull and full of twists and turns.  I loved the magic, which was cleverly crafted as I always believed in his world.  A truly satisfactory plot. 
 
Anna Karenina by Leo Tolstoy is one of the best and most tragic love storites ever written.  It's epic in size and so detailed, but I was never bored because the characters are so fascinating.  
 
Pride and Prejudice by Jane Austen is a beautifully written and charming portrait daily life in 18th Century England.  I love all Austen's novels because I adore looking through a window into that time, but this one is probably my favourite.  The characters are wonderful and complicated.  She's especially good at annoying old women! 

Het kwintet van Serena Mackesy

Kurt Vonnegut’s ‘The Sirens of Titan’ is the single most influential read of my life. I stumbled across it when I was eleven years old, and it made me realise that I really, really, wanted to be a writer. I love pretty much all of Vonnegut – his deceptively simple prose, the way his ideas seem to wander, plotlessly, until they suddenly all slam together, pages from the end, in breathtakingly clear confluence – but this one, with its huge-ranging subject-matter, wild imagination and eccentric characters, has a special place in my heart. It also, I think, set me on the road to atheism. I still read it again from time to time; it’s like getting into a warm bath.

If anyone ever tells me they want to write, I always tell them to read ‘Misery’ by Stephen King before they start. Ostensibly a straightforward horror novel, it’s so much more than that: it is, in fact, the most articulate account of how it feels to be a writer I’ve ever come across. The frustration with publishers and editors, the relentless self-criticism, the punishments meted out for not conforming, the awful, itchy sense that you’re somehow trapped by what you’re doing... it’s all there. Plus, King, at his best, is one of the most deviously manipulative users of language writing today, and can leave you with interesting dreams for weeks after you’ve read him.

Primo Levi’s poetically-written memoir of his time in Auschwitz, If This Is A Man, should be required reading for anyone who can read at all. Not simply because of the subject-matter, this is one of the most effective, chilling, pieces of writing I’ve ever come across. No statistics or photographs can convey the emotional reality of the Nazi death-camps in the way this beautifully-constructed first-hand account, with its minute detail and startling clarity, manages to do. Just thinking about this book makes me tearful.

I am a Londoner, both emotionally and physically; as a miserable provincial teenager, I kept myself going with dreams of the capital. Decades on, I still adore my adopted city with absurd romanticism. Peter Aykroyd's semi-supernatural murder-mystery, Hawksmoor , remains the most atmospheric love-letter to this powerful and ancient metropolis I’ve read. Predicated on the idea that the architect of London’s breathtaking white wedding-cake churches earned his genius through less-than-holy methods, this is a lyrical, disturbing, clever book that will stay with you for life.

Finally, if you enjoy being scared white, then Henry James’s terrifying novella, The Turn of the Screw, does the job magnificently. I’ve never particularly enjoyed James’s novels of society, but his psychological ghost stories are second-to-none, and this is the best of all of them. A governess takes charge of two disturbed children in an echoing house filled with weird servants. The cleverness lies in the fact that you never really know, even at the end, whether the phenomena she observes come from outside, or inside, her head. This is a touchstone for things I want to achieve in my own writing. But don’t read it alone.